Document
Ond.rb. Antwerpen, 7 mei 2019, A/18/766, onuitg.
Het derven van het gebruik van het schip maakt op zich reeds een vergoedbare schade uit. De schadelijder dient de werkelijke schade en het geleden verlies aan inkomsten niet aan te tonen en kan in principe volstaan met het vorderen van een forfaitaire vergoeding conform het K.B. van 19 juni 2011 betreffende de ligtijd en het bedrag van de overliggelden. Dit wettelijk liggeld vormt een correcte basis voor de begroting van een minimale (forfaitaire) vergoeding voor de derving van het gebruik van binnenschepen (die goederen vervoeren). Er is geen enkele reden om de inkomstenderving niet te berekenen aan dit tarief maar aan het oude (veel lagere) tarief zoals voorzien in het KB van 1999.
Gezien het forfaitair karakter van de vergoeding voorzien in het KB volstaat de – zelfs theoretische kans – dat het schip zou kunnen worden ingezet in eender welke periode (ook in het bouwverlof)