Document
PROTOCOL 43 VAN 14 DECEMBER 1922 HOUDENDE HET VERDRAG BETREFFENDE DE REGELING DER PATENTEN VOOR RIJNSCHIPPERS
Met het doel in de bepalingen van de herziene Rijnvaartakte van 17 oktober 1868, die betrekking hebben op de regeling voor de patenten van Rijnschippers, en in de Overeenkomst van 4 juni 1898 de wijzigingen aan te brengen, welke nodig zijn om deze regeling in overeenstemming te brengen met de tegenwoordige behoeften, heeft de Centrale Commissie voor de Rijnvaart, bestaande uit:
…………….
zonder te willen vooruitlopen op de toepassing en de uitleg van artikel 356 van het Verdrag van Versailles van 28 juni 1919, het volgende besluit genomen:
Verdrag betreffende de regeling der patenten voor Rijnschippers, ter vervanging van de artikelen 15 tot en met 21 van de Akte van 17 oktober 1868 en van de Overeenkomst van 4 juni 1898
Artikel 1
Het recht om een vaartuig te besturen op de Rijn boven de brug van Duisburg-Hochfeld tornt slechts toe aan de bezitter van een Rijnschipperspatent, dat hem door de bevoegde autoriteiten van een der Verdragsluitende Staten is verleend.
Deze bepaling geldt niet voor bestuurders van vaartuigen metende minder dan 15 ton, voorzover dit geen sleepboten zijn.
Artikel 2
Het patent wordt verleend voor de gehele Rijn of voor bepaalde riviervakken. Het vermeldt de gedeelten van de waterweg, waarvoor het geldt en de soorten van vaartuigen, welke de bezitter bevoegd is te besturen. Het geeft het recht elk vaartuig van de in het patent ge[1]noemde soorten te besturen onverschillig tot welke Staat het behoort.
Artikel 3
De voorwaarden waaronder de autoriteiten, bedoeld in artikel 1, gehouden zijn een schipperspatent te verlenen, worden omschreven in een in gemeen overleg vastgesteld reglement.
Artikel 4
De bezitter van een patent die, op welke wijze ook, een aan hem verleend patent laat komen in handen van een persoon die een zodanig stuk niet bezit, met het oogmerk deze in de gelegenheid te stellen krachtens dit patent de scheepvaart op de Rijn uit te oefenen, zal naar gelang van de omstandigheden worden gestraft met tijdelijke of definitieve intrekking van dit stuk,.
Elke persoon die, niet voorzien van een aain hem verleend patent, de scheepvaart op de Rijn uitoefent en zich daarbij bedient van een aan een andere persoon verleend patent, zal gedurende een naar gelang van de omstandigheden te bepalen termijn van het verkrijgen van een schipperspatent zijn uitgesloten.
Artikel 5
Het patent zal door de Staat, die het heeft verleend, worden ingetrokken ten aanzien van de bezitter, die blijk heeft gegeven van een onbekwaamheid, welke gevaar oplevert voor de scheepvaart, of die is veroordeeld, hetzij wegens herhaalde douane-overtredingen, hetzij wegens ernstige vergrijpen tegen de eigendom. De intrekking van het patent kan geschieden bij wijze van tijdelijke maatregel. Zij wordt ter kennis gebracht van de andere autoriteiten, welke tot het verlenen der patenten bevoegd zijn.
Artikel 6
Te rekenen van het ogenblik af waarop dit Verdrag in werking treedt, zijn de artikelen 15 tot en met 21 van de herziene Rijnvaartakte van 17 oktober 1868 en de Overeenkomst van 4 juni 1898 vervallen.
Artikel 7
Dit Verdrag zal zo spoedig mogelijk worden bekrachtigd.
Het zal in werking treden dertig dagen na de dagtekening van de sluiting van het proces-verbaal van nederlegging der bekrachtigingen.
Dit protocol wordt voorlopig opengehouden.
Protocol 22 van 22 december 1922, aanvullend bij het Protocol 43 van 14 december 1922
De ondergetekenden,, leden der Commissie, zijn overeengekomen te verklaren, dat de bepalingen voorkomende in het Verdrag van 14 december 1922 met de interpretatieve verklaringen opgenomen in Protocol 27 van de eerste zitting van 1923 voorlopig zullen worden toegepast tot de algemene herziening van de Akte van Mannheim van 17 oktober 1868 en dat op zijn laatst na het verstrijken van een termijn van twee jaar na het in werking stellen van het onderhavige Verdrag deze bepalingen aan een hernieuwd onderzoek zullen worden onderworpen, aan de hand van de ondervinding die terzake gedurende die tijd is opgedaan. In de tussentijd zullen de Commissarissen der Verdragsluitende Staten aan de Commissie alle terzake dienstige inlichtingen verschaffen nopens de toepassing van genoemde bepalingen en de gevolgen welke die toepassing heeft gehad voor de Rijnvaart.
Voorts is het wel verstaan dat, in afwijking van de bepaling van artikel 1 van het Verdrag, gedurende bovengenoemde termijn de onderhavige bepalingen toepasselijk zullen zijn boven het Spijksche Veer en niet alleen boven de brug van Duisburg-Hochfeld. Zolang de afwijking, welke is vastgelegd in de vorige alinea, gehandhaafd wordt, zal de inhoudsspecificatie, opgesomd in artikel 1 van het Reglement van 14 december 1922, geen toepassing vinden. Dit protocol zal worden beschouwd als een integrerend deel van het Verdrag van 14 december 1922.