Document
30C1/14 BSch
De afzender is tegenover de vervoerder verplicht om de lading te lossen. Deze plicht ontstaat uit de charter overeenkomst in verbinding met art. 6 lid 4 CMNI. Op de tussen de partijen gesloten en als “Charterovereenkomst” genoemde overeenkomst zijn met betrekking tot het laden en lossen de bepalingen van het CMNI verdrag van toepassing. Aangezien in de overeenkomst geen specifieke regelingen tav laden en lossen van het schijn zijn overeen gekomen, de materie echter ook bij de acceptatie van een (tijd-) huurovereenkomst blijkbaar geregeld moet worden, is hierop Duits vervoerrecht van toepassing. In casu zou de bepaling van Art. 412 HGB van toepassing zijn, indien niet – zoals hier – art. 6 lid 4 CMNI als Duits vervoerrecht op grond van grensoverschrijdend vervoer met voorrang van toepassing zou zijn. Ingevolge deze bepaling heeft verweerster de plicht om het schip te lossen. Weliswaar is het lossen van de lading daarin niet expliciet genoemd, maar sluit zich het gerecht aan bij de heersende leer in de literatuur dat het hier gaat om een omissie in de redactie van het verdrag (von Waldstein/Holland, Binnenschifffahrtsrecht 5. Auflage, Art. 6 CMNI RZ 28). Uiteindelijk is het ook niet van belang aangezien anders het toepasbare vervoerrecht van het HGB in Par. 412 lid 1. aan de verweerder (afzender) uitdrukkelijk de plicht tot het lossen van de lading oplegt.