Skip to main content

Document

Arrondissementsrechtbank Antwerpen, 23 oktober 2000, onuitg., 2000.31.E

Art. 574, 7° Ger.W. bepaalt niet welke vorderingen als vorderingen inzake zee- en binnenvaart dienen te worden aangemerkt. Naar de “ratio legis” kan niet worden achterhaald of de wetgever de bedoeling had de bijzondere bevoegdheid van de rechtbank van koophandel ten aanzien van vorderingen inzake zee- en binnenvaart te beperken wegens het uitblijven van een opsomming van een in de maritieme en fluviale sector als daden van koophandel aan te merken daden. Dit was wel het geval onder art. 633 van het opgeheven Boek IV van het Wetboek van Koophandel, handelend over de bevoegdheid van de rechtbank, dat een opsomming bevatte van dergelijke daden van koophandel inzake zee- en binnenvaart, zoals onder meer de aankoop van revitaillering of bevoorrading. Art. 574, 7° Ger.. dat de voorheen bestaande bijzonder bevoegdheid heeft gehandhaafd, laat evenmin te beslissen dat die bijzondere bevoegdheid werd beperkt. Het innemen van brandstof betreft de bevoorrading van het schip en dient dan ook aangemerkt als een vordering inzake zee- en binnenvaart.