Document
Hof Gent, 7bis Kamer, 2 juni 2014, onuitg., 2012/AR/1265 en 2013/AR/2776
De vordering van de curator op grond van art. 19, tweede lid Faillissementswet strekkende tot niet-tegenstelbaarheid van een hypothecaire inschrijving in het scheepsregister, is geen vordering tot ontbinding, herroeping of nietigverklaring van de conventionele scheepshypotheek, zodat voor de ontvankelijkheid van deze vordering van de curator geen voorafgaandelijke inschrijving in het scheepsregister vereist is.
De curator vermag, gelet op de gelijkheid tussen de schuldeisers en meer in het bijzonder in toepassing van art. 19, al. 2 Faill.W. een vordering instellen teneinde de inschrijving van een scheepshypotheek niet tegenstelbaar aan de boedel te horen verklaren. De vaststelling dat het om een scheepshypotheek op een binnenschip gaat, doet hieraan geen afbreuk, nu art. 19 Faill.W. in algemene termen, zonder enig onderscheid, alle hypotheken, zowel conventionele als wettelijke, betreft. Art. 29 Zeewet kan dan ook niet zo worden uitgelegd dat een na de datum van staking van betaling verrichte inschrijving van een scheepshypotheek aan de toets van art. 19, al. 2 Faill.W. zou ontsnappen.
Indien vastgesteld wordt dat de betreffende genomen hypothecaire inschrijving niet heeft bijgedragen tot een schijn van solvabiliteit van de gefailleerde waardoor de schuldeisers die intussen met de gefailleerde gecontracteerd hebben, zijn misleid geworden.